Een steen oprichten

Bij binnenkomst in de Oude Helenakerk is mijn eerste gedachte dat er nog wel enkele kerkgangers bij kunnen. Hoeveel kerkgangers zijn er gemiddeld op een zondagmorgen? De Protestantse gemeente te Aalten heeft veel leden maar weinig kerkgangers. Er hadden vanmorgen best wat meer mensen in de kerk mogen zitten. Gerard Wesselink bespeelt voorafgaande aan de dienst het orgel. Wim Westerveld leest de afkondigingen. De voorganger is ds. Hanny Wassink – Pluimers uit Winterswijk. Zij is geestelijk verzorger van de verpleeghuizen van de stichting ‘Marga Klompé’. Wim Westerveld zegt dat er na afloop koffie of thee kan worden gedronken in de hal van de kerk. De ouderling van dienst Theo Bannink corrigeert hem rap: Koffie drinken is in gebouw Elim. Als eerste lied worden de verzen 1 tot en met 5 van lied 280 gezongen. Na stil gebed volgt votum en groet waarna de dominee een gebed om vergeving uitspreekt. Als woorden van vergeving worden enkele verzen uit Psalm 103 gelezen. “Liefdevol en genadig is de HEER, hij blijft geduldig en groot is zijn trouw. Niet eindeloos blijft hij twisten, niet eeuwig duurt zijn toorn. Hij straft ons niet naar onze zonden, hij vergeldt ons niet naar onze schuld. Zoals de hoge hemel de aarde overspant, zo welft zich zijn trouw over wie hem vrezen. Zo ver als het oosten is van het westen, zo ver heeft hij onze zonden van ons verwijderd. Zo liefdevol als een vader is voor zijn kinderen, zo liefdevol is de HEER voor wie hem vrezen.” Na het zingen van de verzen 1 en 2 van lied 885 leest de dominee de Tien Woorden in een alternatieve vertaling (van Max Arab).

“De Heer zegt: Ik ben de God die jullie heeft bevrijd.

Met een valse voorstelling van mij kun je mij niet dichterbij halen. Nooit kun je mij vastleggen in dingen die je bedacht hebt. Uitbeelden kun je mij niet. Beeld je niet in dat je mij kunt vasthouden boven in de hemel, beneden op de aarde, of in het water daaronder. Met jouw verbeelding maak je mensen klein. Wie een mens klein maakt, maakt God niet groot.
Vervals de naam van je God niet door een medemens in de steek te laten. Laat God er buiten als je bezig bent in je eigen belang. Vloeken is God betrekken bij kwalijke zaken.
Zes dagen van de week werk je samen met de Heer, je God, aan de bevrijding van zijn schepping. Bedenk: op de zevende dag vieren wij samen feest. Je bent een bevrijd mensenkind.

Rusten mag je en gerust mag je zijn – samen met de Heer, je God –
als alles en iedereen tot zijn recht komt.
Ouderen vertellen van hun leven met de Heer God. Hoor vandaag, hoe God er gisteren was en er morgen zal zijn…
Niemand mag je het leven onmogelijk maken. Ieder mens heeft recht op een eigen bestaan. Schep ruimte voor je medemens.
Trouw ben je als je eerbied hebt voor mensen en hun manier van leven. Trouw ben je aan mensen die hun leven met jou willen delen.
Je steelt als je iets van een ander afneemt. Je steelt als je weigert een medemens te geven wat hij nodig heeft.
Je zult je met kracht inzetten voor iemands goede naam. De harde waarheid kan een mens vernietigen. Het is een vals getuigenis. Eerlijkheid gaat nooit samen met liefdeloosheid.
Vergrijp je niet aan de leefwereld van een ander. Wees bezorgd om alles wat leeft. Al wat levensgeluk is – voor je medemens en voor jezelf – zul je koesteren als een Godsgeschenk.”

De dominee spreekt het gebed om verlichting met de Heilige Geest uit. Er zijn geen kinderen in de kerk, het kinderpraatje gaat niet door. De eerste lezing is uit Genesis 28:10-22. De dominee vertelt wat hieraan is voorafgegaan. Jakob heeft zich voorgedaan als eerstgeborene, zijn broer Ezau is woedend en wil hem doden. Jakob slaat op de vlucht. Van Psalm 90 worden de verzen 1 en8 gezongen, waarna de tweede lezing volgt. Die is uit Jozua 4 de verzen 1 tot 8. ‘Als u zou mogen kiezen, waar zou dan het liefst op slapen: op een kussen of een steen?’, zo begint de dominee haar verkondiging. Jakob had geen keus, hij moest het met een steen doen. Op dat moment, op de vlucht, zit hij stuk. Hij is bij zijn ouders vandaan en is op de vlucht. Ezau is woedend en Jakob moet rennen voor zijn leven. Zijn vader ligt op sterven en zou hij zijn moeder ooit nog terugzien? Hij beseft dat wat hij gedaan heeft niet goed is maar hij kan het niet ongedaan maken. Als hij gaat slapen legt hij zijn hoofd op een steen. Hij krijgt een droom en ziet een geopende hemel. Engelen gaan omhoog en weer neerdalen. Als ze omhoog gaan nemen ze de zonden van Jakob mee, gaan ze omlaag dan brengen ze de genade van God voor Jakob mee. God komt nog dichterbij en Jakob ziet de Heer bij zich staan. God zegt: Ik ben met je en zal je zegenen.

Als Jakob wakker wordt zegt hij: Op deze plaats is God aanwezig en ik heb het niet in de gaten gehad. Om deze reactie gaat het. Want God laat zien dat er een geopende hemel is en dat Zijn zegen op Jakob neerdaalt. Dat besef was er altijd wel bij Jakob maar door allerlei gebeurtenissen kan het zomaar wegzakken. Zo is God er ook in ons leven. Bij de doop, bij belijdenis doen, bij ons trouwen, zegt Hij: Ik ga met je mee. Aan die woorden mogen we ons vasthouden. Soms zijn we die woorden kwijt door alles wat er om ons heen en met ons gebeurt. Opeens merken we ze weer op. Door een woord uit de Bijbel, een lied, een bijzondere ontmoeting. De dominee hoopt dat we zulke ervaringen meemaken in ons leven. Wat doe je daar mee, hoe ga je verder? Jakob werd later bedrogen door zijn oom Laban.

Wat doet Jakob? Allereerst dankt hij God voor deze bijzondere ontmoeting. Eerbied vervulde hem. In de tweede plaats zette hij de steen rechtop, goot er olie over en maakte er een monument van. Zo legde hij deze gebeurtenis vast. Dat gebeurt ook in Jozua. Twaalf stenen worden opgericht als teken dat het water van de Jordaan werd tegengehouden door de ark van het verbond. Hiermee wordt het verhaal verteld dat God ons heeft geholpen. Later wordt er weer een steen opgericht. Nadat de profeet Eli is gestorven worden de Filistijnen verslagen. De steen die wordt opgericht wordt Eben-Haëzer genoemd: Tot hiertoe heeft God ons geholpen. Toen Jakob met zijn familie terugkeerde kwam hij langs de steen en kon hij het verhaal van wat hij hier meegemaakt had vertellen.

Welke steen zetten wij neer in ons leven? Sommigen schrijven op wat ze ervaren hebben, anderen vertellen erover. Of bewaren een doopkaart of een doopkaars. Je wordt hiermee herinnerd aan zo’n bijzonder moment. God zegt: Ik ga met je mee. Het zijn niet alleen verhalen van vroeger maar ze gebeuren ook nu. De dominee maakt dat mee in verpleeghuizen. In Liedboeken zijn liederen aangekruist of er liggen knipsels in het liedboek. Bij een uitvaart ziet de familie dat dan, vooraf is er nooit over gesproken. De dominee moet denken aan een man waarvan zijn vrouw net is overleden. Naar eer en geweten bereidt hij de liturgie van de begrafenis voor. Na twee maanden vindt hij een briefje met de teksten en de liederen voor haar begrafenis. Het zijn allemaal andere liederen en teksten. Het is zo jammer om dit niet met elkaar te delen.

Het slot van het verhaal van Jakob is minder mooi. ‘Als God mij terzijde staat en mij op deze reis beschermt, als hij mij brood te eten geeft en kleren aan mijn lichaam, en als ik veilig terugkom bij mijn verwanten, dan zal de HEER mijn God zijn.’ Wat gebeurt hier nou? Gaat Jakob met God onderhandelen? Kun je dat maken? Is dat mooi? Nee, maar het gebeurt wel. Ook wij kennen onze twijfels. Ik moet nog maar zien of het allemaal gebeurt. Daarom zijn er van die kostbare ontmoetingen met God zodat ons geloof telkens vernieuwd wordt. Met die belofte mogen we verder gaan op de weg naar God.

Na het amen van de preek is er eerst orgelspel, dan worden de verzen 1 en 3 van Psalm 146 gezongen en is er een mededeling van overlijden van twee gemeenteleden. De dominee leest daarna een tekst uit het Liedboek, na Lied 962: ‘Geef Uw toekomst en Uw heerlijkheid aan deze gestorven mensen. Wij kunnen niet geloven dat hun leven vergeefs voorbij is gegaan, en dat alles wat zij voor mensen hebben betekend nu verloren is. Maar wij verenigen ons met het geloof waarin zijzelf aan U hebben vastgehouden ten einde toe, aan U, hun God en onze God, die voor ons leeft in eeuwigheid’. Hierna volgende dank- en voorbeden, stil gebed en het Onze Vader. Na de collecte worden de verzen 1 en 2 van lied 723 als slotlied gezongen waarna de dominee de kerkgangers de Zegen van de Heer geeft.

Over Tijme J. Bouwers

Doctoraal economie RU Groningen 1967 Mil. Dienst, 1968-1969, oud res. officier cavalerie Prov. Zuid-Holland, afd. toezicht gemeentefinanciën Inspecteur Rijksfinanciën 1972 - 1976 Burgemeester Ferwerderadeel 1976 - 1988 Burgemeester Aalten 1988 -2004 Ouderling visitator PKN Voorz. Stichting 'Vrienden van de Aaltense Synagoge'
Dit bericht is geplaatst in Kerk, PKN. Bookmark de permalink.

5 reacties op Een steen oprichten

  1. Hans te Winkel schreef:

    Grappig die afkondiging van koffie…. drinken in de hal.
    Dat werd in de Oosterkerk ook gezegd, maar niet gecorrigeerd.
    De mensen snappen wel dat dit in de benedenzaal is.
    Oosterkerk was overigens goed bezet, goed er konden er ook wel meer in, maar mochten niet klagen.

    • Tijme J. Bouwers schreef:

      Hans, ik heb de afkondigingen voor beide kerkgebouwen nagekeken en daar staat de volgende zin in: “Na afloop van deze dienst nodigen wij u uit om elkaar in de hal, onder het genot van een kopje koffie, thee of limonade te ontmoeten.” Het zegt wat over degene die de afkondiging heeft opgesteld en het zegt wat over de beide ouderlingen die het klakkeloos voorlazen. TJB

      • Hans te Winkel schreef:

        Ook even gekeken het klopt wat je schrijft. Het zal wel automatisme geworden zijn qua opstellen en voorlezen. Knippen/plakken en klaar. Het blijft mensenwerk die het naar beste weten opstellen en voorlezen. Kleine controle zou wel op zijn plaats zijn.

        • Tijme J. Bouwers schreef:

          Ik heb even een moment kunnen nadenken. Het woord ‘hal’ zal wel slaan op de hal van de Zuiderkerk. Helaas worden daar geen gewone kerkdiensten meer gehouden.

          • Hans te Winkel schreef:

            Ja dat zal het wel zijn. En ja wat zijn gewone diensten. Daarover wil ik best eens in gesprek.

Reacties zijn gesloten.